Bejan Matur

Bejan Matur (1968) studeerde aan de rechtenfaculteit van de Universiteit van Ankara. Matur, die haar gedichten in verschillende tijdschriften publiceert, werd in 1997 voor haar eerste boek Ruzgar Dolu Konaklar onderscheiden met de O.M. Araburnu- en Halil Kocagöz-dichtersprijs. De tweede gedichtenbundel van Matur draagt de titel Tanri Görmesin Harflerimi.

MONNIKEN LIEPEN LANGS DE DOOD


Mijn gelaat was oud
De tijd eeuwig, vergeetachtig Mijn bedding was zo diep
Hoeveel gezonken weemoed droeg zij niet Monniken liepen langs de dood
Bloed en zondvloed

Stem en zwijgen
Echo en ijs
Al wat met het land verbindt
Dat in zicht kwam om te zinken
De dove golf rust niet voor de kust
(Vertaling: Ireneus Spit)

DOODSKLEREN 

In het verrotte en bevroren hart van deze gronden
Zag ik de ogen.
Ieder was er met zijn stem
En met zijn lichaamshouding.
Een mens leren we het beste kennen als we met hem vrijen.
Als we samen ons hart verrotten laten.
Ons zwaarder wordend lichaam
Wekt ons ’s nachts.
Als graven zijn de huizen met hun binnenplaats.
De kindertijd is een slaap. Die lang duurt.
En een verlangen om aan te raken
Een verlangen sleept ons naar de dood.
Ik heb mijzelf beproefd bij elk lichaam
Ik heb mijzelf verlaten in elke stad
In mij heb ik de hemel opgenomen van de landen
En toen ik de leegte zag van mijn hart
Heb ik gezegd: ik moet gaan.

*

In vergane doodskleren
Hangend wiegen de beenderen.
Al werpen wij het vuur in zee
Het blijft branden.
Verlatenheid biedt het het donker aan. Het brandt.
De geschiedenis kan een vergissing zijn zegt de dichter.
De mens is een vergissing zegt god.
Veel later
In een later evenzeer ontbonden
Als het hart van deze gronden
Zegt god de mens is een vergissing.
En ik ben er om hem te verbeteren
Maar ik ben te laat.

*

De golven van het dode rode water
De ’s nachts belopen weg
En de arme aarde waarover de reizigers uitzwermen
De wapperende witte waden
De doodskleren.
En het enige dat nodig is voor een wedren
Zijn de manen van het paard.
De grond is deze
Hier en nu
Zijn wij vergaan.

Laat god mijn letters maar niet zien
De mens is een fout wordt hij niet moe te zeggen
En om zijn fout te corrigeren
Geeft hij pijn
Enkel pijn.

Februari '97, Berlijn


VAN WIND VERVULDE LANDHUIZEN

Moeder
Die de bruidskisten die ze voor ons had laten maken
Bij onze geboorte
Vulde met
Zilveren spiegels
Stenen van lazuur
En stoffen gesmokkeld uit Aleppo
Zou een tijdje later
Ons in die kisten stoppen
En
Wegen
Wind
En landhuizen ons in het oor fluisteren.
Opdat we niet alleen bleven in het duister
Zou ze onze kindertijd erbij doen
In de wens dat wij ons daarmee zouden troosten.
Toen wij afdreven
Met de lange stroom waarin het bloed zich mengde
Dat met een scheermes uit onze rug vergoten werd
Werd het haar teveel
Terwijl ze sliep
Hebben we haar verlaten
Zeiden wij het water.

*

Alles en iedereen
Over van de uittocht
Is hier.
Ik ben hier
Mijn zusjes zijn hier met hun verlorenheid
Mijn moeder met haar kleren
Mijn broer met zijn oorlogsvrees
En mijn vader al is hij niet meer ontwaakt
De wereld is verschrompeld om mij heen
Alsof de gebeurtenissen een droom zijn
Die uitdijt en allengs meer pijn doet

I

Als moeder
Haar zwart fluwelen gewaad streelde
Vielen haar lokken over haar blik
En moest ze aan vader denken:

Ze zei dat hij zich op een witte berg bevond
Op een witte berg die elke lente slonk

II

Toen mijn broer
Die ouder was dan elk van ons
En bang was voor de oorlog in de verte
Niet meer terugkeerde
Werden ook wij bang voor de oorlog.
Maar het was niet de oorlog, die hem niet liet gaan.
Op weg naar ons toe
Zei moeder, hij was op zijn paard in slaap gevallen
Op de besneeuwde berg tegenover vader

Het gezicht van moeder werd steeds smaller
Haar schouders vielen in
We wisten niet naar welke berg we kijken moesten

III

Naarmate op de lange waranda van ons huis
Haar fluwelen gewaad langer
Haar zilveren hoofddoek zwaarder
En haar zilveren riem ruimer werd
Leek ze meer op de berg waarnaar ze keek.
In het voorjaar werd haar korst dunner
Maar we konden haar niet meer bereiken.
Ze ging dood
Dit keer smolt ze werkelijk
Ze is niet meer op de waranda verschenen

IV

Een boom die elke winter verdwijnt
En in de lente weer te voorschijn komt
Werd moeder

Een eik met tatoeages
Wier gekreun ons in de oren klonk

V

Moeder
Zwierf elke nacht
In haar zwart fluweel tussen de bergen
Een eik ontworteld
Zwijgzaam, schreiend van tijd tot tijd

Voor de scheiding
Kwamen we bijeen in haar schaduw
En fluisterden we tot elkaar
O god alstublieft spaar ons
Spaar ons huis o god alstublieft
Blijf af van onze waranda
Daar alleen kunnen we lachen
Daar zwijgen we zo lang we willen
Daar wordt onze mond van ons

Al raken we haar niet aan
We zien er moeder in de verte

VI

Toen de koude ingevallen was
Waren er ruiters gekomen om ons mee te nemen
Oude en merkwaardige ruiters
Ze hadden ons beangstigd
Er was sneeuw gevallen op hun blik.
En zonder een woord met ons te wisselen
Zonder acht te slaan op onze kleine handen
Zouden ze ons naar landhuizen wegvoeren
Naar landhuizen druisend van de wind

VII

Terwijl moeder
Tussen vader en broer in
Vredig sliep
Verwijderden wij ons met de oude ruiters.
Onze nek deed pijn van het omkijken
Onze ogen klampten zich vast aan elke bocht.
Maar vergeefs
Vergeefs was ons geschrei
Ons onwel zijn was vergeefs
De ruiters zijn niet afgedwaald

Wij zijn niet meer weergekeerd

VIII

We waren als stenen die de bergen afrolden.
Vier zusjes
Zochten in een vallei
Die met zijn schaduw zich verdiepte
Hun bed, dat niet meer het hunne was
Zochten dagenlang hun bed.
Zoveel bergen als we overtrokken
Zo ver verwijderd waren we van elkaar
Zo alleen met onszelf

IX

Begin noch einde
Binnen noch buiten
We waren daar
Midden in die stenen wereld
Hoe langer onze wegen werden
Hoe donkerder moeders tatoeages

X

We zouden afscheid nemen elk van ons
Bij een of andere afslag.
Maar wie zou het eerst
Wie zou het eerst bang worden
Voor de weg
De nacht
De oude ruiter.
Wie was er aan de beurt
We huiverden daarom bij elk kruispunt.

Ik was tot het eind gebleven
Met de smalle weg die zich voor mij uitstrekte
Een reiziger door het leven was ik nu
Die kracht putte uit zijn pijnen

XI

Aangekomen in het eerste van wind vervulde landhuis
Heb ik dagenlang geslapen
Te midden van kelims en koperwaar.
Van de wind had ik kunnen gaan houden
Was er deur noch raam geweest

XII

Tien jaar van mij vervlogen met de wind
Ik had het koud in ieder landhuis
Wat voor zin heeft het te praten zei ik
Als een mens geen weerklank vindt

Een zwijgend landhuis was mijn hart
Dat gaandeweg meer deuren krijgt

XIII

Het zilver en de paarden slonken
Ik spoedde mij van landhuis tot landhuis
De stem van de sterren leerde ik beter kennen
Hoe dichter ik bij het zuiden kwam

XIV

’s Nachts
Leek de eenzame en dwaze maan
Sterk op mij
Er was iets eigenaardigs in mijn lach
Ik groeide op.
Ik dacht aan de liefde af en toe
Aan de meester van het lichaam.
’s Nachts als ik niet slapen kon
Rook ik naar aarde

En op elke tocht die ik begon
Spon ik dromen
Wat kon mij mijn moeheid schelen.
Eens toen de wegen mij geen angst aanjoegen
Dook er een man met groene ogen voor mij op
Hij dreef de spot met zijn armoede
Zijn ogen werden donkerder
Naarmate hij ouder werd

XV

Ik kreeg kinderen van die groenogige man
Twee zonen
Van wie de één soldaat werd en de ander rode haren had.
En mijn schoondochter
Sliep elke nacht bij mijn roodharige zoon.
Hij had het altijd koud
‘Schoonzusje, wat heb je een warme voeten’
Zei hij en kroop tegen haar aan.
Twee kinderen van dertien jaar
Die elke nacht al fluisterend met elkaar in slaap vielen.
Eén van die nachten
Was de regen in zijn slaap geslopen.
De regen ruiste
Laat je haren maar aan mij
Laat je haren maar aan mij,
En had mijn zoon betoverd in zijn slaap.

*

Het dal dat zichtbaar werd
Toen ik de heuvel opgeklommen was
Waar hij zijn haren waste met de wind
Stond onder water
De wolken waren aan de aarde vastgekleefd.
Ik wachtte op een rimpeling
Op een klotsen
Van het water dat mijn zoon verborg.
De dorpelingen samenscholend achter mij
Herinnerden mij aan de duisternis
Met hun stokken die als toortsen brandden.
Ik kon niet stil blijven staan
Ik daalde af de dampende aarde in.
Hoe dikker de modder werd
Hoe meer mijn kracht tekort schoot voor het duister.
Ik was bang dat hij het koud had
Dat zijn haren vuil geworden waren.
Toen een stem zei
‘Hij is gestorven’
Had hij het niet langer koud
Was hij stiller dan de regen.
Met mijn gelaat vol modder en verdriet
Droeg ik zijn lichaam,
Droeg ik zijn haren in mijn handen.
Terwijl het paard waarop hij voorover was neergevlijd
De heuvel opklom
Liet het heimelijk licht doorsijpelen.

XVI

In het bed dat de groenogige man
Had nagelaten
Werd ik ouder starend naar het plafond.
Eindelijk
Waren mijn rokken even lang als die van mijn moeder.
Mijn haren langer
Dan de rode haren van mijn zoon.

Hoe kort heeft alles geduurd
De tochten
De dood
En de landhuizen
Niets is er gebleven om mij heen
Behalve zuilen donker van het roet

Ik moet mijn krachten een laatste maal bijeenrapen
Mijn haar moet naar henna ruiken
Er moeten appelbloesems in mijn water drijven.
En als god mij hoort
Wil ik een krap graf van hem
Dat mij het gedruis vergeten laat
Van de weidsheid van de landhuizen
  

DE GODIN OUDEMAAGD

Misschien heeft daarom
Sin, de geliefde godin van de maan
Haar tempel vergeten
In deze leegte zonder zin

Daarom heeft misschien
De mens een duizend jaar geslapen
En is hij ontwaakt ten slotte.
Hij heeft begrepen
Dat het bestaan een slaap is
En zit zonder antwoord
Sinds die dag.

*

Ik weet het, daar
In dat huiveringwekkende begin
Verwachten de levende wezens iets
Er zal een zondvloed komen
Alles zal zich verzamelen aan het begin

Toch is de poort gesloten
Gebleven is de zucht van hen die achterbleven.
De witte onheilsstenen
Waarop ‘... was de goedheid zelve’ staat geschreven
Zijn verbonden met de dood en de eenzaamheid

*

In de eerste nacht van het jaar toen Oudemaagd
Met haar moeder naar buiten was gegaan
En onder de sterren
Haar handen opgeheven had,
Smekend tot de maan en de sterren
Had haar de godin gehoord
Ze had tot Kais gefluisterd
De liefde vult het hart met vrees
Vernietigt het mysterie
En beroert de eenzaamheid

*

De godin weet niet
Dat al die tijd
Oudemaagd geloofde
In de stenen waar ze haar gelaat langs streek
Ze geloofde in de grotten evenzeer.
Ze geloofde dat het ziedende water daar
De mens met het leven verbinden zou

Al heeft de stad ook poorten
Adem is er niet voor haar.

*

Die nacht sliep Oudemaagd niet
In de hoop een blanke vrouw
Te vinden in de spiegel
Holde ze naar het water

Misschien een hand
Die zich uitstrekt naar de liefde
Naar de waanzin
Naar de geur van rozen

*

Alles
Alles is vergeetachtig.
Zelfs dit weggeblazen
Blaadje
Zou iets anders zijn
Als het weer de put uitkwam.
Maar het gebeurt niet.
Uit vrees voor de oneindigheid
Verzamelen de beelden zich
En stichten zij de stad.
De stad krijgt graven.
Op de kindergraven bloeien gele narcissen
Op die van grijsaards oleanders

*

Alles is zijn eigen ach en wee
De aarde
De steen
De muur.
De muur die de aarde en de steen
Ten hemel draagt
Weet
Een antwoord op de torens heeft de hemel niet,
De oneindigheid zoals de maan
Ontzegt zichzelf aan deze wereld.

*

Er is iets dat ook Oudemaagd weet
Ze zou naar buiten kunnen gaan
En een muur vinden om tegen te schreeuwen.
Wat er ook aan graven is zoals haar naam
Ze kan er schuil in gaan.
Ze kan haar hoofd slaan
Tegen die witte onheilsstenen

*

Om alles dat beloofd
En ver verwijderd is
Wordt haar mond een lijn
Vult haar borst zich
Met het druisen
Van de hemel die zijn stem verloren heeft

*

Oudemaagd doolt op de binnenplaats
Op de binnenplaats
Zijn er enkel ogen.
Ze wil dat
Als er iemand is die begrijpt
Dat ze in de dood de liefde zoekt
Hij naar haar kijkt.
Maar niemand kijkt er.
Niemand kijkt
Terwijl het hart moe
Uitstroomt
Midden op de
Marmeren
Zwijgende
Binnenplaats.

VROUWEN

Met hun blauwe tatoeages
En de beurse sporen van hun onophoudelijke rouwen
Staan zij stil en staren in het vuur.
Wanneer de wind waait huivert elk van hen
Hun borsten reiken naar de aarde

Vrouwen die een brandend houtblok in hun handen dragen
Dolen rond en rond
Oud als zwarte ketels roestbeslagen.
Wanneer de woede van het houtvuur zwelt
Wordt het geknetter luider.
Het vuur houdt nooit op daar
Het te laten doven is rampzalig

Vrouwen wier borsten zijn verslapt
Denken aan de hardheid van het houtblok dat ze zullen grijpen
In de angstaanjagende magerte van hun handen
En zwijgen.
Wanneer ze zwijgen blijven onopgemerkt hun tranen
Het ruikt naar aarde wanneer ze weeklagen

Vergeten waar ze tegen steunen kunnen
Laten ze hun ogen op de aarde rusten
De wolken staan niet blijvend aan de hemel immers
Van ganser harte
Geven zij zich aan de aarde
En ruiken af en toe ernaar

DE TIJD IN HET NOORDEN

Kijk, god is hier goed.
Dit stadje
Ligt erbij alsof
De wereld hier begint.
De zee zegt enkel blijf
Blijf opdat je leven
Voorbijgaat met te kijken
Naar de reizigers die hier voorbijgaan.

*

Als in het noorden,
In het stadje dat erbij ligt
Als de plek waar de wereld aanvangt,
Tijd zal zijn om het licht te begraven
En vlees om het hart te vermoeien,
Legt een mens die dit gelooft
Er wegen aan.
Een vrouw en man die dit geloven
Trekken er ongetwijfeld weg
En gaan
Door de bergen waar de maan
Als een sikkel aan de vrouw verschijnt.
De vrouw rept van een dode dichter
Van een dichter die zei ‘de taal ordent het complexe leven’
En vervolgens werd gedood.

Ik begrijp het niet zegt ze dan
Een weg is een weg
En de aarde aarde
De ziel van een mens spreekt uit zijn ogen
En soms ook uit zijn mond.

*

De weg houdt op
Wanneer de wereld aanvangt
De golf die het stadje het leven leert
Duwt tegen de rotskust waaraan hij zuigt
En zegt kijk
Ik ween bij deze rots die ik overspoel.
Zie,
Deze schuimvlokken zijn mijn ijle woorden
Betoverd heeft mij het geduld van steen.

Deze heuvel met zwarte bomen aan zijn borst gehecht
Is een piratennest
De geschiedenis liet niet van zich horen
Als hij zijn mond zou houden.

*

De wenkbrauwen van de vrouw hadden zich gefronst
Het stotterende, uitgedunde woud
Bromt in zichzelf:
Meen je dat als deze zee
Mettertijd
Niet een berg in zich op zou nemen
In deze verzadigdheid
Dat dan...
 Laat maar

*

Welnu je bent gekomen
En hebt het gezien
Het licht is niet een antwoord
Ga door,
Ga door.

*

Jij die je liefde
In een donker vertrek
Voor je in slaap viel gefluisterd hebt
Het erbarmen over jou komt toch van deze aarde.

*

Als iemand zeggen zou dat
Het licht voorafgaat aan de ziel
En het tekort nabij is
Geloof hem dan.

Zo ingewikkeld als het leven is
Zo eenvoudig is de goedheid.

DE TRIESTE KONINGIN 
 

De trieste koningin
Wier rokken zijn beijsd
Gelooft niet meer
In de tover van het oog

De stem waarop ze sedert dagen wacht
Heeft zich verscholen voorbij de heuvelrug

De man die ze af en toe ontmoette
De man die van straten sprak
Zo smal als karavanen
Is er niet meer
Er is niemand meer die iets begrijpt
Van de geurige eenzaamheid
Van kruidenhallen

Ze wacht halstarrig op een stem
Uit de geur van fijngevingerde tabak

De koningin oud als de herfst
Die fluistert in het woud
Brokkelt af
Samen met haar zwarte rok van ijs

HET OOSTEN WAARVAN DE WIND SNIJDT
 

Ik ben gekomen
Zwijgend en bedroefd
Gaf ik mij over aan zijn aarde
Mijn hart zei wacht
Vind een tempel voor het te laat is
Maar ik ben te laat
De muren zijn de verten in getrokken
Alleen hun schaduw is gebleven

Is het oosten zeg ik soms
Is het oosten met zijn wind die snijdt
Te groot voor mijn begrip
Ter vertroosting
Stopte ik in mijn tas
Kaarten en kwatrijnen
Ik stapelde stenen op
En liet mijn haren groeien doodbedroefd

Midden in die vreemde menigte
Met haar mond vol van jou
Keek ik naar de diepe slaap van de bergmeren
Keek ik naar al de wegen die zichtbaar waren
Ik had niet de kracht
Te vragen naar de wonden die je sneden

Daar
Weet men van god zijn al de vogels
De vrouwen weten daar het zijn gods vogels
En ze vragen hem
Mijn god wat hebben we u misdaan
Knakten wij de vleugels van uw vogels
Wat hebben we u misdaan

God is stil
Stil als mijn moeder
Die opkeek
En tot de achterblijvers zei
Waarom wachten jullie hier

Ach lief lijf
Waarom wacht je hier
Pak je geur en ga
Ga
Die snijwind achterna