Esther Jansma

 

van Esther Jansma (1958) verschenen tot op het heden bij De Arbeiderspers vijf dichtbundels: ‘Hier is de tijd’ (1988), ‘Bloem, steen’ (1990), ‘Waaigat’ (1993), en ‘Dakruiters’ (2000). Haar eerste twee bundels werden genomineerd voor de C. Buddingh - prijs voor Nieuwe Nederlandstalige Poëzie. Hier is de tijd’ werd genomineerd voor de Gouden Uil en bekroond met de VSB - Poezie prijs,

In 1997 verscheen van Jansma de korte roman ‘Picknick op de Wenteltrap’. Mede op grond van dit boek ontving Jansma in 1998 de Halewijn prijs voor haar hele oeuvre. Haar laatste bundel, ‘Dakruiters’, werd in 2001 bekrond met de Hughes C. Pernathprijs. In het dagelijks leven is E. Jansma, die filosofie en archeologie studeerde, in dienst van de Rijks voor het Oudheidskundig bodemonderzoek (ROB Amersfoort).

Amsterdam, Baghdad


Maandagochtend.
Een tram buigt het plein op.
Mensen gillen, doen hun mond dicht,
stappen in.
Naast me in een rode jas
een man vol wonden,
zijn gezicht een beschadigd dier
slapend in de schaal van zijn hand.
Achter ons brand,
erboven de maan.

Amsterdam, Bagdat


Pazartesi sabah¦.
Bir tramvay meydana sap¦yor
Bag¦r¦yor insanlar, susup
biniyorlar sonra.
Yan¦mda k¦rm¦z¦ pardösülü
bir adam yaralar içinde,
yüzü, örselenmis bir hayvan
uyuyor ellerinin çanag¦nda.
Ard¦m¦zda yang¦n var,
üstümüzde ay.

 

Raam in de lucht

Vandaag kreeg ik je brief.
Ik heb hem niet geopend.
Ik heb hem op mijn bed gelegd.
Stilte, achter mijn raam
in de lucht een vliegtuigje, hier
in de kamer steeds meer
schaduw -ik wil deze dag terug,
mijzelf bewaren: meisje met brief.
Daarom open ik je brief niet.

 

Gökyüzünde pencere

Bugün ald¦m mektubunu.
Açmad¦m.
Yerlestirdim yatag¦m¦n üstüne.
Sessizlik, penceremin ard¦nda
gökyüzünde bir uçak, burada
odan¦n içinde giderek çogal¦yor
gölge- bugün geri gelsin,
böyle kalay¦m: genç k¦z ve mektup
Bu yüzden açm¦yorum mektubunu.

Dictator neemt condoleances in ontvangst

Ik ben Gabriel Garcia Moreno.
Ik heb vierendertig medailles op mijn borst.
Ik spreek altijd de waarheid.
Ik heb een leger, ik heb
vijftig fluweelzachte valleien,
honderden harde handen van boeren
die het leven uit de aarde trekken
en uit de resten van hen die ik doodde
(dat doen ze als dieren,
ze hangen aan het leven).
Moreno, ik ben Moreno.
Iemand is dood, dat ruik je.
Wie heeft het lef
mijn paleis om ontbindend vlees te wikkelen?
Mijn tanden proberen
contact te maken
met de lont van ijs
in mijn hoofd.
Er komt geen geluid
als ik schreeuw.
Mensen kussen een wasbleke hand.
Een gouden ring voor ieder die mij aankijkt!
Hectaren land voor wie dit touw doorsnijdt!
Ik ben niet dood.
Ik ben generaal Gabriel Garcia Moreno.
Diktatör bassagl¦g¦ dileklerini kabul ediyor

Ben Gabriel Garcia Moreno.
Gögsümde otuz dört madalya.
Her zaman dogrular¦ söylerim.
Ordum var, elli
kadife gibi yumusak koyag¦m,
yüzlerce sert eli var köylülerimin
hayat¦ topraktan, öldürdüklerimin kal¦nt¦lar¦ndan
söküp ç¦karan
(hayvanlar gibi yap¦yorlar bu isi,
s¦ms¦k¦ bagl¦lar hayata).
Moreno, Moreno'yum ben.
Biri ölmüs, kokusundan belli.
Kimde
saray¦m¦ çürümüs etlerle saracak yürek var?
Dislerim
fitilini ar¦yor
kafamdaki buzun.
Ǧgl¦k atsam
Ses ç¦km¦yor.
Mum solgunu bir eli öpüyor insanlar.
Bana bakan herkese bir alt¦n yüzük!
su ipi kesene hektar hektar tarla!
Ölmedim.
Ben general Gabriel Garcia Moreno'yum.

Hoogtevrees

Ze ligt met een landschap van een man
in bed. Hij is enorm en zij
heeft nooit voor bergbekIimmer gestudeerd.
Verkleind tot een verliefde kleuter
klautert ze rond: tong in zijn oor,
spitse vingers in zijn maag, verder omlaag -
ze hoort niets. Een landschap praat niet.
Hooguit gromt het zachtjes, liggend
op de rug, zichzelf, waardig.

 

Yükseklik korkusu

Uzanm¦s yatag¦na bir erkek
manzaras¦yla. Adam kocaman,
kendisi hiç gitmemis dagc¦l¦k derslerine.
Küçülerek sevdalanm¦s bir çocuga
t¦rmanmaya çabal¦yor etraf¦nda : kulag¦na dil,
sivri parmaklar karn¦na, daha asag¦ya-
hiçbir sey duymuyor. Manzara konusmaz.
En fazla h¦r¦ldar yavasça, s¦rtüstü
uzanm¦s, kendi bas¦na, sayg¦n.

 

De geliefden

Hij lag op rode rotsen aangespoeld
en droomde dat haar stem hem riep, zand
dat over hem werd uitgestrooid en verwaaide.
De zee legde zich neer aan zijn borst.
Zijn hart was de broedplaats van kleurige
vogels. De wind keerde terug.
Een voor een stegen de vogels op,
ze schreeuwden en vielen omhoog, hulpeloos
werden ze opzij gesmeten.
Zijn hart was een wond, een verlaten kamer
toen ze hem vond, het verschil tussen hem
en de grond was liefde, meer niet.
Ze tilde hem op. Zacht probeerde ze
zijn mond te sluiten. In het schip
probeerde ze zijn mond te sluiten.
Ze zweeg en duwde zijn lippen op elkaar.
Ze zweeg en legde zijn armen om haar hals.
Het lukte. Zijn hoofd ligt op haar schouder.
Hij zwijgt. Ze varen. Ze zijn alles voor elkaar.

 

Sevgililer

F¦rlat¦lm¦s yat¦yordu k¦z¦l kayalar¦n üstünde
düsünde kad¦n¦n sesi çag¦r¦yordu kendisini, kuma
bulanm¦st¦ gövdesi, rüzgâr götürmüstü sonra kumlar¦.

Gögsüne ç¦kt¦ deniz
Kalbi kuluçka yeriydi renkli
kuslar¦n. Rüzgâr döndü.
Birer birer havaland¦ kuslar,
bag¦rd¦lar ve düstüler yüksege
çaresiz f¦rlat¦ld¦lar bir kenara.
Kalbi bir yarayd¦, terk edilmis bir odayd¦
kad¦n onu buldugunda, yerle aras¦ndaki tek fark
askt¦ salt, o kadar.
Kald¦rd¦ adam¦ kad¦n. Usulca
kapamaya çal¦st¦ agz¦n¦. Gemide
kapamaya çal¦st¦ agz¦n¦.
Sustu ve dudaklar¦n¦ bitistirdi adam¦n.
Sustu ve boynuna sard¦ kollar¦n¦.
Basarm¦st¦. Bas¦ omuzundayd¦ kad¦n¦n.
Susuyor adam. Denize aç¦l¦yorlar. Her seyiler birbirlerinin.